Pasgeboren babies zijn al sociale wezens. Deze kleine babies hebben al de voorkeur en zijn geïnteresseerd in gezichten van andere mensen. Ze kunnen zelfs al reageren op stemmen. Een baby imiteert simpele gezichtsuitdrukkingen en gebaren, zoals bijvoorbeeld het openen van mond. De eerste 3 maanden zit een kind in de symbiotische fase.

Versmelting

De symbiotische fase: in deze fase is een baby samengesmolten met zijn ouders en vaak met name met de moeder. De baby wil vooral knuffelen met zijn moeder en vader. Daar heeft het sterke behoefte aan. De baby wil de hele tijd warmte en veiligheid voelen. Wetenschappers zeggen dat een kind een gevoelseenheid met de moeder en met de vader vormt. De baby wil zintuiglijk bevredigd worden en bijvoorbeeld eten wanneer het wil eten, plassen en poepen wanneer het wil plassen en poepen. Deze fase is heel belangrijk omdat het kind warmte en veiligheid wil voelen, maar nog geen onderscheid kan maken tussen zichzelf en de ander. Dus deze veiligheid en warmte wil het kind van de ouders. In deze fase wordt een basis gelegd voor het veilig voelen bij zichzelf en bij anderen. De baby doorloopt de eerste stappen in het zogenaamde sensomotorische stadium. De baby ervaart de wereld door te bewegen en zijn zintuigen te gebruiken. Het leven van de baby draait in dit stadium vooral om zichzelf. Simpele reflexen zoals zuigen staan centraal in de eerste maand. De normale symbiotische fase duurt ongeveer tot de vijfde maand. De baby kan in de eerste maanden geen onderscheid maken tussen zichzelf en de buitenwereld. De baby kan dus geen onderscheid maken tussen zichzelf en zijn moeder (en de vader). In de eerste fase begint de baby langzaam iets meer duidelijkheid te krijgen dat er een verschil is tussen haarzelf/hemzelf en de wereld buiten de veilige cocoon van zichzelf en zijn moeder/vader. Maar de moeder (en de vader) blijven het middelpunt en het veilige ijkpunt om zich iets meer te gaan oriënteren.

Mijlpalen in de eerste maand

De baby groeit in de eerste maand tussen 2.5 en 3 centimeter. Eerst valt een kind wat af na de geboorte; dat is normaal, daarna rond 2 weken zit de baby weer op zijn geboortegewicht. In de eerst maand komt een baby meestal rond de 1,5 kilo aan. De baby is dus ontzettend aan het groeien. De baby heeft nog niet veel kracht in zijn nek. De armpjes en beentjes bewegen nog wat schokkerig. De baby laat een zuigreflex zien, bijvoorbeeld als je je vinger in zijn mond steekt. Hij slaapt ongeveer 16 uur per dag. De baby kan nog niet veel zien, alleen dingen die op een afstand van ongeveer 20-30 cm. Binnen twee weken valt het overgebleven stompje van de navelstreng af. De baby houdt van gezichten en staart graag langdurig naar de ouders. Babies vinden het ook fijn om stemmen van de ouders te horen (want die hoorden ze in de buik ook al).

Kan ik de wereld vertrouwen?

Volgens de psycholoog Erik Erickson wordt in de eerste twee jaar het fundament gelegd voor het basisvertrouwen in het leven, in anderen en in de wereld. Als ouders in staat zijn om goed de behoeften van de baby te bevredigen, krijgt het kind een stevige basis. Een kind krijgt sterk het gevoel van vertrouwen in anderen, maar daardoor ook in zichzelf. Het kind is sterk afhankelijk van de ouders om gevoed en gerustgesteld te worden. De bouwstenen van het gevoel van vertrouwen zijn warmte, regelmaat en een flinke dosis liefde en affectie. Als ouders niet voldoende in staat zijn om een stevige en veilige omgeving neer te zetten, is de ontwikkeling van een kind in gevaar. Babies worden gefrustreerd of gaan zich terugtrekken. En zonder dat ze er woorden aan kunnen geven ontwikkelen ze een gebrek aan zelfvertrouwen. Als ouders niet voldoende in staat zijn het basisvertrouwen te leveren, wordt voor het kind de basis gelegd voor het gevoel dat de wereld onvoorspelbaar is en zelfs gevaarlijk. Daarbij moet worden gezegd dat als op momenten de behoeften van een kind niet worden bevredigd en de omgeving niet helemaal veilig is, dat dit natuurlijk geen probleem is. Kinderen worden zo ook voorbereid op een wereld die niet altijd veilig is.

(Mahler et al 1975; Erickson, 1950; Craig & Baucum, 2002; Sigman e.a., 2004; Verhulst, 2008, Gaylord & Hagen, 2012).